Hoeveel water je gebruikt bij aquarel? Dat bepaalt alles.
Share
Bij waterverf is het zo, dat je de verf oplost door het te vermengen met water. Hoeveel water je gebruikt? Dat bepaalt alles.
Toen ik begon met aquarelverf, dacht ik dat ik vooral moest leren omgaan met kleur. Welke kleuren mooi combineren, hoe je schaduw maakt en hoe je diepte creëert. Maar al snel ontdekte ik dat aquarel eigenlijk niet alleen draait om verf.
Het draait om water.
Bij aquarel los je de verf op door deze te vermengen met water. En hoeveel water je gebruikt? Dat bepaalt uiteindelijk hoeveel controle je hebt over wat er op papier gebeurt.
Gebruik je veel water, dan vloeit de verf meer uit en ontstaat er een losse, zachte uitstraling. Gebruik je minder water, dan kun je juist preciezer werken en meer details schilderen.
Dat klinkt simpel, maar in de praktijk vond ik dat in het begin ontzettend frustrerend.
Hoe meer water ik gebruikte, hoe minder grip ik leek te hebben.
Veel water betekent minder controle
Wanneer je veel water gebruikt, gaat de verf leven. Kleuren vloeien in elkaar over, pigment beweegt onverwacht over het papier en soms ontstaan er effecten die je onmogelijk kunt plannen.
Dat is precies wat aquarel zo mooi maakt.
Maar ook wat het spannend maakt.
In het begin probeerde ik die beweging steeds tegen te houden. Ik wilde controle. Strakke lijnen. Precies schilderen wat ik in mijn hoofd had. Maar aquarel werkt nu eenmaal anders.
Pas toen ik durfde toe te laten dat het water ook een beetje “mee schildert”, begon ik aquarel echt te begrijpen.
Met veel water ontstaan juist die zachte kleuren, vloeiende achtergronden en lichte overgangen waar aquarel zo bekend om staat. Denk bijvoorbeeld aan luchten, mist of zachte schaduwen. Alleen moet je dan dus wel accepteren dat je niet alles volledig kunt sturen.

Minder water geeft juist rust
Aan de andere kant ontdekte ik ook hoe fijn het is om met minder water te werken.
De verf blijft beter op zijn plek, kleuren worden sterker en details schilderen wordt veel makkelijker. Minder water geeft meer controle en daardoor voelt aquarel ineens veel preciezer.
Dat werkt bijvoorbeeld prettig wanneer je bloemen, ramen of kleine details wilt schilderen.
Maar ook daar zit een grens. Want gebruik je té weinig water, dan verlies je juist die losse, frisse uitstraling die aquarel zo bijzonder maakt.
En dat vond ik misschien wel het moeilijkste aan aquarel: het vinden van de juiste balans tussen controle en loslaten.
Nat-op-nat en nat-op-droog
Die balans heeft trouwens niet alleen te maken met hoeveel water je aan de verf toevoegt, maar ook met hoe nat je papier is.
Nat-op-nat
Wanneer je schildert op nat papier, verspreidt de verf zich vanzelf. Dit zorgt voor zachte, dromerige effecten, maar geeft minder controle.
Nat-op-droog
Werk je juist op droog papier, dan blijft de penseelstreek beter zichtbaar en kun je veel preciezer werken.
Veel aquarellisten combineren beide technieken binnen één schilderij: eerst losse achtergronden met veel water, daarna details met minder water.
Je leert water langzaam begrijpen
Het mooie aan aquarel is, dat je na verloop van tijd anders naar water gaat kijken.
Je merkt ineens:
- hoe nat papier echt is;
- hoeveel water er nog in je penseel zit;
- wanneer verf nog beweegt;
- en wanneer je juist moet stoppen.
Die gevoeligheid ontwikkel je door te oefenen.
En misschien is dat wel het mooiste aan aquarel: je hoeft het niet meteen perfect te doen. Juist door te oefenen leer je hoe water en verf samenwerken.
Soms ontstaat de magie juist op het moment dat het water even zijn eigen weg vindt.